: Cornelis George
: Nauwelijks een kans en toch
: Books on Demand
: 9783756255429
: 1
: CHF 3.50
:
: Romanhafte Biographien
: Dutch
: 358
: Wasserzeichen
: PC/MAC/eReader/Tablet
: ePUB
Geboren in 1946 in Amsterdam. De toekomst zag er niet bepaald rooskleurig uit. Zijn ouders hebben niet veel tijd voor hem en zijn zusters. De"Pro Juventute" vind het nodig dat ze in een betere omgeving horen, een weeshuis in Schiedam. Het is goed dat zij drieën samenblijven. Na vijftien maanden worden ze bij pleegouders in de"Rudolph Stichting" geplaatst. Niet hopeloos negatief, maar ook niet aan te bevelen. Hun moeder wordt, in de hoop hun toegewezen te krijgen, de vrouw van een boer, maar deze boer had andere plannen. Zijn belofte de kinderen te adopteren maakte hij niet waar. Hun vader wordt dan misschien wel van zijn geweten geplaagd, beloofd zich goed te gedragen, krijgt dan van de"Kinderbescherming&quo ; zijn kinderen weer toegewezen. Ze verhuizen naar Amsterdam en komen dan als kostgangers bij een weduwe in de Soembawastraat terecht. Alles ziet er zeer goed uit. Hier leert hun vader dan een asociaal, kindonvriendelijke jonge vrouw kennen. Zij krijgen een huis toegewezen en ze moeten verhuizen. Vanaf dit moment wordt het leven, vooral voor hem, een van onvoorstelbaar geweld en haat bedachte tijd. Na achttien maanden komt dan na aandringen van zijn zus Coby, de"Kinderbescherming&quo ; in actie en brengt hun in zekerheid. Ze worden alle drie in verschillende huizen ondergebracht, en ze weten niets meer van elkaar. Met zeven jaar is zijn plaats nu in de"Martha Stichting", in Alphen aan den Rijn waar hij zich tegen het systeem weer te weren.

De Auteur, Cornelis George, geboren 1946 in Amsterdam, Nederland. Is getrouwd, heeft een zoon en woont sinds 1978 in Duitsland. Zijn jeugd liet hem niet tot rust komen. Zijn vrouw gaf hem de raad zoveel mogelijk op te schrijven, en dat hielp.

Familie Boskoop


Het was geen pure vreugde om deze familie Boskoop als buren te hebben. In vrede met hen le-ven vereiste toch enige diplomatieke vaardigheden. De Boskoops waren erg kleinzielig en ook erg prikkelbaar. Ze ontploften bij elke kleinigheid, zou ik vandaag zeggen.

Mevrouw Boskoop was een mooie, roodharige dame. Helaas wist ze dat ook maar al te goed, en dat wist mijn vader ook! Iedere keer als die twee elkaar zagen, dacht ik een zekere spanning te bespeuren. Ze keek mijn vader zo intens aan dat hij proberde niet te reageren en weg te kijken. Nou, het zal wel niets spannends geweest zijn, of was het alleen maar theater omdat ik erbij was!

Het probleem met mevrouw Boskoop was dat ze meestal boos werd als er spullen van de buren in haar tuin terechtkwamen. De buren waren tenminste negen families. Drie families woonden direct boven haar, en nog eens drie linksboven en drie rechtsboven. Natuurlijk droegen de bovenburen links en rechts ook alleen maar bij aan de wasregen als het behoorlijk waaide. De Boskoops wisten, net als de andere tuinbezitters, nooit precies, en zeker niet bij harde wind, waar de dingen die ze vonden vandaan kwamen. En dat was nu het punt! Zodra een stuk wasgoed ten prooi was gevallen aan de zwaartekracht, moest er iemand naar de Boskoops.

Degene die gestuurd werd, moest natuurlijk"conflictvermijdende" verontschuldigingen maken en proberen zijn eigendom uit een mand met verzameld wasgoed te halen."Tuinafval", noemden de Boskoops deze mandinhoud. Er is niet veel fantasie voor nodig om te raden wie het gelukkige lot bij ons had getrokken, logischerwijs was dit natuurlijk ook mijn vaste lot.

Het leek me dat Christa niet geheel onschuldig was aan deze"wasregen", zoals mevrouw Boskoop het noemde, want vaak lachte Christa als ik weer eens naar de Boskoops moest.

Vol goede wil rende ik dan steeds weer de trap af, belde bij de Boskoop aan en luisterde plichtsgetrouw naar haar preek. Ze vond me toch al een eigenwijs jochie en nam aan dat ik het leuk vond om bij haar aan te bellen, maar ze moest eigenlijk weten dat het voor mij geen pleziertje was, als ik in haar wasmand rommelde terwijl zij en haar zoon toekeken. Ze wist heel goed dat ik nooit vrijwillig zou zijn gekomen.

Ik vroeg haar of ik de volgende keer mijn vader moest vragen om onze was bij haar thuis op te halen. Ze keek me een beetje vragend aan, kreeg plotseling een rode kleur in haar gezicht, draaide zich om en zei:"kleine stinker" en verdween in de keuken. Dus ik was heerlijk correct in mijn observatie!

Mijn vader vond de Boskoops asociaal, zeer zeker meneer Boskoop. Omdat ik deze uitdrukking niet kende, keek ik mijn vader vragend aan en toen legde hij het me uit:"Het is zoiets als antisoziaal, eigenlijk de onderste laag van de bevolking". Terwijl ik meeliep, hoorde ik hem zeggen:"Maar meneer Boskoop is echt de grootste idioot. Hij raakt echt van streek over alles en iedereen. Maar ze moeten toch proberen met ons en de andere buren overweg te kunnen. Nu wist ik het, Boskoop is een"asociale idioot". Geweldig. Hopelijk kon ik dat onthouden tot ik mijn vrienden weer ontmoette, daar kon ik zeker mee voor de dag komen!

De Boskoops hadden, zoals ik al schreef, een zoon die Benny heette, en hij was dus ook asociaal, ik vraag me af of dat al bekend was in onze straat? Ik nam de taak op me om het gehoorde te verspreiden. Antisociaal was gewoon een geweldig woord!

Asociaal, mijn vrienden zouden verbaasd zijn, en dat waren ze, maar Benny was het meest verrast. Hij wilde weten waar ik het allemaal vandaan had."Alleen mijn vader weet zulke dingen, en hij weet nog veel meer."

Ik heb Benny duidelijk gemaakt dat hij ook meer moet luisteren als volwassenen praten, het zou nog interessanter worden als ze ruzie maakten en elkaar uitscholden. Benny vertelde me nu dat hij soms aan de deur luisterde, maar nog nooit zoiets gehoord had. De andere jongens wilden natuurlijk ook hun steentje bijdragen aan ons gesprek, daarom leidde d